Heksensabbat

09-08-2025

Walter Gilman had niet kunnen zeggen of de dromen nu veroorzaakt werden door de koorts, of dat de koorts juist de dromen met zich meebracht. In alle hoeken en gaten loerde de geheimzinnige, voortwoekerende verschrikking van deze oude stad en van het bouwvallige, lugubere zolderkamertje onder welks schuine dak hij zat te schrijven en te studeren, worstelend met getallen en Formules, wanneer hij tenminste niet lag te woelen in het schamele ijzeren ledikant. Zijn gehoor had zich ontwikkeld tot een oerscherpte die onverdraaglijk was en al lang geleden had hij de goedkope pendule op de schoorsteenmantel stilgezet, omdat het tikken begon te lijken op het gebulder van kanonnen. 's Nachts hoorde hij de vage geluiden van de donkere stad daarbuiten, het sinistere geritsel van de ratten tussen de aangevreten scheidingswanden, het kraken van de houten spanten in het eeuwenoude huis - en die geluiden waren al genoeg om hem de indruk te geven, dat er een oorverdovend lawaai aan de gang was. De duisternis scheen altijd bezwangerd te zijn van onverklaarbare geluiden...en toch rilde hij soms van angst bij de gedachte dat dit vage rumoer zou kunnen verstommen. Want dan zou hij die andere, zwakkere geluiden kunnen horen die, naar hij vermoedde, erachter schuilgingen.

Hij bevond zich in de oude binnenstad van Arkham, waar de tijd stil stond en de legenden welig tierden; waar de gammele daken zich aaneenregen, wankelend en scheefzakkend boven zolders waar eens in duistere en lang vervlogen dagen, de Heksen zich schuil hielden voor de gerechtsdienaren. En in deze hele stad was geen enkele plek zozeer vervuld van macabere herinneringen als de zolderkamer, waar hij onderdak had gevonden. Want juist in dit huis en op deze kamer had eenmaal de oude Keziah Mason gewoond, wier ontsnapping uit de Salem-gevangenis door niemand verklaard had kunnen worden. Dat was gebeurd in 1692. De cipier was krankzinnig geworden en had slechts iets kunnen stamelen over een harig wezen met witte slagtanden, dat uit Keziah's cel was komen schieten. En zelfs Cotton Mather had geen verklaring kunnen vinden voor de gebogen en hoekige lijnen die met rode kleverige vloeistof op de grijze stenen muren waren gesmeerd.

Misschien had Gilman niet zo hard moeten studeren. De niet-Euclidische meetkunde en de quantentheorie zijn al voldoende om eenieders brein onder druk te zetten; en als je ze dan vermengt met folklore en de vreemde achtergrond van een multi-dimensionale werkelijkheid probeert te zoeken achter de monsterachtige zinspelingen van Gotische verhalen en van wilde fluisteringen bij de open haard - tja, dan kun je nauwelijks verwachten, dat je aan een geestelijke overspanning zult kunnen ontkomen. Gilman was afkomstig uit Haverhill, maar pas nadat hij in Arkham college was gaan lopen was hij zijn wiskunde gaan verbinden met de fantastische legenden van de oeroude Magie. In de atmosfeer van deze eerbiedwaardige stad was iets wat op duistere wijze tot zijn verbeelding sprak. Zijn professoren van de Miskatonic Universiteit hadden er reeds op aangedrongen dat hij het wat kalmer aan zou doen en zij hadden uit eigen beweging zijn studietaak op vele punten verlicht. Bovendien hadden zij hem verboden te snuffelen in de afstotende geheimen van de twijfelachtige oude boekwerken, die achter slot en grendel werden bewaard in een keldergewelf van de universiteitsbibliotheek. Maar al die voorzorgsmaatregelen waren wel wat laat gekomen, zodat Gilman beschikte over een paar huiveringwekkende aanduidingen uit de gevreesde Necronomicon van Abdul Alhazred, uit het fragmentarische Boek van Eibon en het verboden Unaussprechlichen Kulten van Von Junzt - aanduidingen die hij in verband trachtte te brengen met zijn abstracte Formules over de eigenschappen van de ruimte en de verbinding tussen bekende en onbekende dimensies. 

Hij wist dat zijn kamer zich bevond in het oude Heksenhuis - in feite was dat juist de reden waarom hij deze kamer had genomen. In de annalen van het graafschap Essex was heel wat te vinden over het gerechtelijk verhoor van Keziah Mason, en Gilman was buitensporig geboeid geraakt door wat zij op de pijnbank tegenover het Hof van Onderzoek had bekend. Zij had rechter Hawthorne verteld over bepaalde lijnen en krommen, die men kon construeren om de weg te vinden, welke door de grenzen van de ruimte drong naar anderen ruimten daarbuiten. Zij had laten doorschemeren, dat zulke lijnen en krommen herhaaldelijk werden gebruikt op bepaalde middernachtelijke vergaderingen in de donkere vallei van het witte gesteente achter Meadow Hill en op het onbewoonde eiland in de rivier. Zij had ook gesproken over de Zwarte Man, over haar eed en over haar nieuwe geheime naam die Nahab luidde. Toen had zij die tekenen aangebracht op de muren van haar cel en was verdwenen. 

Gilman geloofde vreemde dingen over Keziah en hij had een merkwaardige sensatie door zich heen voelen gaan toen hij hoorde, dat haar woning nog overeind stond na tweehonderdvijfendertig jaar. En toen hij in Arkham die half onderdrukte fluisteringen vernam, die geruchten dat Keziah nog altijd aanwezig was in het oude huis en de nauwe straatjes, dat in dit en andere huizen soms de afdruk van onregelmatig gevormde mensentanden werd aangetroffen op bepaalde balken, dat men kinderen hoorde jammeren omstreeks de eerste mei en op Allerheiligen, dat men vlak na die gevreesde data vaak een gruwelijke stank opmerkte op de zolder van het huis en dat een klein, harig wezen met scherpe tanden door het vervallen gebouw en door de stad ronddwaalde en de mensen nieuwsgierig besnuffelde in de donkere uren voor het aanbreken van de dag...toen besloot hij tot elke prijs in dat huis te gaan wonen. Een kamer was er gemakkelijk te krijgen; het huis was niet erg in trek en moeilijk te verhuren en het diende allang als een goedkoop logement. Gilman had niet kunnen zeggen wat hij er hoopte te vinden, maar hij wist dat hij wilde wonen in het gebouw waar - door een bepaalde oorzaak - een onbelangrijke oude vrouw uit de zeventiende eeuw plotseling inzicht had verworven in mathematische diepten, die wellicht  verder gingen dan de modernste vorsingen van Planck, Heisenberg, Einstein en De Sitter.

Hij zocht de houten en bepleisterde muren af naar sporen van geheime tekens en bekeek iedere bereikbare plek waar het behang was losgegaan. Binnen een week lukte het hem beslag te leggen op de oostelijke zolderkamer waar, naar men beweerde, Keziah haar toverkunsten had uitgeoefend. Het vertrek had reeds van het begin af aan leeggestaan - want niemand had daar ooit voor langere tijd willen wonen - maar de Poolse huisbaas was wat voorzichtig geworden met het verhuren van die kamer. En toch gebeurde er niets bijzonders met Gilman tot aan het tijdstip, dat de koorts kwam opzetten. Er dwaalde geen geestverschijning van Keziah door de sombere portalen en kamers, er verscheen geen harig monstertje binnen zijn geschokte gezichtskring om aan hem te snuffelen en zijn onafgebroken speurtocht werd al evenmin beloond met gegevens over de Toverformules van de Heks. Soms ging hij wel eens wandelen door het schemerige doolhof van ongeplaveide, naar schimmel ruikende laantjes waar bouwvallige bruine huisjes schots en scheef tegen elkaar leunden en hem  spottend aankeken met hun smalle vensters vol kleine ruitjes. Hier, wist hij, waren eenmaal vreemde dingen gebeurd en onder het oppervlak zweefde de vage suggestie dat - ergens in het donkerste, smalste en merkwaardigste kronkelende steegje - het monsterachtige verleden nog niet helemaal was verdwenen. Tweemaal roeide hij naar het eiland in de rivier, dat ook al een slechte reputatie had, en maakte daar een schets van de zonderlinge hoeken die gevormd werden door de rijen grijze, bemoste, rechtopstaande stenen, waarvan de herkomst zo duister en onbegrijpelijk was.

Gilman's kamer was ruim van afmetingen, maar bezat een merkwaardig onregelmatige vorm; de noordelijke wand helde zichtbaar naar binnen, terwijl het plafond duidelijk naar diezelfde richting afliep. In de muur zat een gat dat kennelijk door de ratten werd gebruikt en er waren sporen van andere gaten, die later waren dichtgestopt. Maar verder was er geen enkele toegang - en ook geen enkel teken dat er ooit een toegang geweest was - tot de ruimte, die ongetwijfeld moest bestaan tussen de overhellende kamerwand en de rechtop staande buitenmuur aan de noordkant van het huis, al leerde een blik vanuit de straat hem dat er een venster had gezeten dat reeds lang geleden met planken was dichtgespijkerd. De vliering boven het plafond, waar dus een afhellende vloer moest zijn, was al evenmin toegankelijk. Toen Gilman met een ladder naar de vlak liggende en met spinrag overdekte vliering boven de rest van de zolderveridieping klom, ontdekte hij dat er vroeger wel degelijk een doorgang was geweest naar het vlieringgedeelte boven zijn kamer. Maar de opening was stevig en zorgvuldig dichtgemaakt met oude planken, die waren vastgezet met forse houten pinnen die in het koloniale tijdperk werden gebruikt. En ook al wendde hij al zijn overtuigingskracht aan, de onverstoorbare huisbaas wilde hem geen toestemming geven om een onderzoek in te stellen in één van de beide afgesloten ruimten.

Naarmate de tijd verstreek raakte hij meer en meer geboeid door de onregelmatige plaatsing van de wand en het plafond van zijn kamer, want hij begon in die vreemde schuine hoek een mathematische betekenis te ontdekken die een vage aanduiding scheen te zijn omtrent de bedoeling ervan. De oude Keziah, dacht hij, had wel eens heel goede redenen kunnen hebben om te willen wonen in een kamer met zulke eigenaardige hoeken; had zij niet beweerd, dat zij door middel van bepaalde hoeken buiten de grenzen kon treden van de ruimtelijke wereld, zoals wij die kennen?

Langzamerhand kreeg hij minder belangstelling voor de scheve ruimten achter de hellende vlakken, want het begon erop te lijken dat de werkelijke bedoeling van die schuine vlakken juist gelegen was aan de zijde waar hij zich bevond.

In het begin van de maand februari begonnen de dromen en toen kwam ook de eerste aanval van hersenkoorts. Al enige tijd hadden de merkwaardige hoeken van Gilman's kamer een vreemde, bijna hypnotische uitwerking op hem gehad; naarmate de grauwe winter verstreek had hij zich steeds vaker erop betrapt, dat hij in groeiende spanning zat te staren naar de plaats waar het aflopende plafond samenkwam met de naar binnen hellende muur. Tegen die tijd begon hij zich bovendien nogal ongerust te maken over het feit, dat hij zich haast niet meer op zijn eigenlijke studie kon concentreren en hij maakte zich ernstig zorgen over de examens die halverwege het studiejaar zouden plaatsvinden. Maar de overgevoeligheid van zijn gehoororganen bezorgde hem minstens evenveel ongemak. Het leven was inmiddels één voortdurende en schier ondraaglijke kakofonie voor hem geworden en daarbij kwam dan nog dat voortdurende, angstaanjagende vermoeden van andere geluiden - misschien vanuit gebieden, die zich buiten het leven zelf bevonden - welke schenen te trillen op de uiterste grens van het hoorbare. Wat de werkelijke definieerbare geluiden betreft, in dat opzicht waren de ratten tussen de ouderwetse scheidingswanden wel het ergste van allemaal. Hun gekrabbel scheen soms eerder opzettelijk dan heimelijk te zijn. Als het vanachter de schuine noordelijke kamerwand kwam, was het geluid vermengd met een soort droog gerammel. En als het gekrabbel klonk vanaf de eeuwenlang afgesloten vliering boven het hellende plafond, dan zette Gilman zich altijd schrap - alsof hij wachtte op de één of andere verschrikking die daarboven slechts zijn kans afwachtte om af te dalen en hem volkomen op te slokken.

De dromen overschreden elke grens van geestelijke evenwichtigheid.

Gilman begreep, dat zij het gevolg moesten zijn van zijn wiskundestudies zowel als van zijn belangstelling voor de folklore. Hij had teveel nagedacht over de vage  gebieden die, volgens zijn wiskundige Formules, moesten liggen voorbij de drie dimensies die wij kennen. En hij had teveel gespeeld met de gedachte, dat de oude Keziah - geleid door een macht die ieder begrip te boven ging - inderdaad de toegang tot die gebieden had kunnen vinden. De vergeelde documenten, waarin de getuigenissen van de Heks en van haar aanklagers waren opgenomen, spraken op zo'n duivels suggestieve wijze over dingen, die buiten het menselijk waarnemingsgebied liggen! En de beschrijvingen van het pijlsnelle harige wezentje, dat haar vertrouweling geweest moest zijn, waren zo pijnlijk realistisch ondanks hun ongeloofwaardige bijzonderheden!

Dat wezentje - niet groter dan een rat van flinke afmetingen en door de mensen merkwaardigerwijze 'Brown Jenkin' genoemd - scheen de vrucht te zijn geweest van een opmerkelijk geval van massa-psychose, want in 1692 hadden niet minder dan elf personen getuigd dat zij er een glimp van hadden opgevangen. Er waren echter ook geruchten van recenter datum, geruchten die op verbluffende en verontrustende wijze met de oude beschrijvingen overeenstemden.

Ooggetuigen beweerden dat het schepsel lang haar bezat en de vorm had van een rat, maar dat de kop - baardig en met scherpe slagtanden - kwaadaardig menselijke trekken bezat, terwijl de poten leken op kleine mensenhanden. Het gedrocht bracht boodschappen over tussen de oude Keziah en de duivel en het voedde zich door het bloed van de Heks op te zuigen als een Vampier. De stem van dit wezen klonk als een soort gekwetter en het beheerste alle talen. Gilman's dromen waren vervuld van de meest bizarre wanstaltigheden, maar niets vervulde hem zozeer met panische en ziekelijke angst als dit godlasterlijke monster, welks beeld door zijn koortsvisioenen flitste in een vorm die duizendmaal afstotender was dan alles wat hij, in wakende toestand, had kunnen afleiden uit de oude geschriften.

Gilman's dromen bestonden voornamelijk uit het gevoel, dat hij neerstortte door grenzeloze afgronden, vervuld van een onverklaarbaar gekleurd schemerlicht en een overweldigend onsamenhangend geluid; afgronden, wier materiële structuur en zwaartekrachtsverdeling hij onmogelijk had kunnen verklaren, evenmin als hij kon zeggen wat hun verhouding was tot zichzelf. Hij liep niet en klom niet, hij vloog noch zwom, kroop noch spartelde; en toch onderging hij altijd een soort beweging, die deels gewild was en deels tegen zijn wil geschiedde. Over zijn eigen toestand kon hij niet goed oordelen, want het uitzicht op zijn armen, benen en romp scheen altijd te zijn afgesneden door een vreemde perspectivische vertekening; maar hij voelde dat zijn fysieke gevoelens en zijn lichamelijke vermogens op de één of andere wonderbaarlijke wijze waren omgevormd en scheefgetrokken - ook al bleef er altijd een zeker grotesk verband bestaan met zijn normale afmetingen en eigenschappen.

De afgronden waren ook geenszins leeg - zij wemelden van onbeschrijfelijke, hoekige, uit een vreemdkleurige substantie gevormde massa welke voor een deel uit levende en voor een deel uit dode stof schenen te bestaan. Sommige van de organisch opgebouwde voorwerpen schenen ergens in zijn achterhoofd een vage herinnering te wekken, al kon hij zich geen vast omheind beeld vormen van datgene waar zij - als een karikatuur - op leken of naar verwezen. In zijn latere dromen begon hij afzonderlijke categorieën te onderscheiden, waarin de organische massa's leken te zijn onderverdeeld; en elk van die categorieën scheen een volkomen verschillend soort te omvatten, met een eigen gedragspatroon en een eigen elementaire beweegkracht. Eén van deze categorieën leek hem te bestaan uit voorwerpen, die in hun bewegingen iets minder onlogisch en minder grillig waren dan de leden van de andere categorieën. 

Al deze massa's - zowel die uit levende, als die uit dode stof - tartten elke beschrijving, ja elk begrip. Gilman vergeleek de anorganische voorwerpen vaak met prisma's, labyrinten, groepjes kobussen en platte vlakken, of cyclopische bouwsels; de organische lichamen deden hem afwisselend denken aan groepjes zeepbellen, octopussen, duizendpoten, levende beelden van Hindoegoden en ingewikkelde arabesken die tot leven waren gewekt in een soort slangachtig bestaan. Alles wat hij aanschouwde was onzegbaar dreigend en huiveringwekkend. En wanneer één van de organische voorwerpen hem blijkens zijn bewegingen scheen op te merken, werd hij overvallen door een rauwe, wurgende angst die hem gewoonlijk met een schok deed ontwaken. Over de vraag hoe deze organische massa's bewogen kon hij al even weinig zeggen als over de manier, waarop hij zelf bewoog. Na verloop van tijd ontdekte hij nog een ander mysterie - bepaalde massa's vertoonden de neiging, plotseling vanuit de lege ruimte op te doemen of even abrupt in het niets te verdwijnen. De schrille, loeiende, verwarde geluiden waarvan de afgronden doortrokken waren, tartten elke poging hen te toetsen aan begrippen als toonhoogte, timbre of ritme; toch schenen zij overeen te stemmen met vaag zichtbare wijzigingen in al die onbestemde massa's, organische zowel als anorganische. Gilman was voortdurend onderhevig aan een gevoel van angst, dat het geluid tot een onverdraaglijke intensiteit zou aanzwellen tijdens één van die onheilspellende, meedogenloos-onontkoombare golvingen in het helse kabaal.

Maar het was niet in deze volkomen onwerkelijke droomtuimelingen, dat hij Brown Jenkin aanschouwde. Dat schokkende kleine monster bleef voorbehouden voor sommige lichtere, helderder dromen welke hem besprongen vlak voordat hij wegzonk naar de diepste diepten van de slaap. Hij lag dan in het donker te vechten om wakker te blijven en op dat moment scheen er een zwak, zacht gloeiend schijnsel door het eeuwenoude vertrek te sijpelen. In een violetkleurig waas doemde de snijlijn op van de beide hellende vlakken, die zijn gedachten zo verraderlijk in beslag genomen hadden. Het gruwelijke kleine monster placht dan op te duiken uit het rattehol in de hoek van de kamerwand en naar hem toe te trippelen over de brede, verzakte planken van de vloer - een uitdrukking van boosaardige verwachting op het kleine, bebaarde mensengezicht. Maar deze droom vervaagde altijd genadiglijk voordat het wezen hem dicht genoeg genaderd was om aan hem te snuffelen. Het gedrocht had duivels lange, scherpe hoektanden. Elke dag probeerde Gilman dat rattehol dicht te stoppen, maar elke nacht knaagden de bewoners van die ouderwetse scheidingswand de versperring weer weg, waar die ook uit bestond. Eenmaal verzocht hij de huisbaas er een stuk blik voor te slaan, maar de daaropvolgende nacht knaagden de ratten een nieuw gat, waarbij zij een merkwaardig stukje bot in de kamer sleepten of duwden.